Door de jaren heen hebben we op “Het Palet” een visie ontwikkeld, die we belangrijk achten voor goed en uitdagend onderwijs. We brengen kinderen zelfstandigheid bij, bevorderen de eigen verantwoordelijkheid, versterken het zelfvertrouwen, creëren een veilig pedagogisch klimaat en natuurlijk streven we naar zo hoog mogelijke leerresultaten bij kinderen.

Daarbij laten we ons in het dagelijks handelen inspireren door de ideeën van Helen Parkhurst. We zijn betrokken bij de leerlingen en collega’s en samen scheppen we een veilig en sfeervol schoolklimaat.We stimuleren en begeleiden leerlingen in het samenwerken waarin respect voor en leren van en met elkaar centraal staan.Tevens leren we de leerlingen verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen ontwikkeling; voor zowel het resultaat als wel voor het proces.

dalton-logo

Op Het Palet stemmen we al jaren het onderwijs zo goed mogelijk af op de individuele ontwikkeling van kinderen. We doen dat bijvoorbeeld door te werken met takenborden en takenkaarten. Deze middelen nemen een belangrijke plaats in in ons Daltononderwijs.

 

Dalton algemeen

Bij het Daltononderwijs zijn er een aantal belangrijke pijlers:

  1. Vrijheid (in gebondenheid): de kinderen kunnen binnen grenzen keuzes maken. Een voorbeeld in de bovenbouw is bijvoorbeeld het keuzewerk op de takenkaart. De leerkracht maakt dus een selectie, waardoor het keuzegebied beperkt wordt.
  2. Zelfstandigheid: kinderen moeten leren om zelf beslissingen te nemen. Kinderen worden op deze manier uitgedaagd om zelf oplossingsstrategieën te bedenken. De leerkracht heeft belangrijke taak in het begeleiden van de kinderen. Gesprekjes tussen leerling en leerkracht zijn hiervoor erg geschikt.
  3. Samenwerken: bij het samenwerken is het belangrijk dat kinderen van elkaar leren. Dit kan door samen te werken met leerlingen uit dezelfde klas, maar ook door samen te werken met kinderen van andere leeftijden.

Deze eerste drie pijlers kun je samenvatten in een plaatje:

drie pijlers

Daarnaast zijn reflecteren, opbrengstgericht werken en borging van afspraken en resultaten ook pijlers.

Om deze principes te kunnen bereiken met de kinderen, hebben wij een aantal afspraken binnen onze school.
Zo wordt er binnen de hele school gewerkt met een takenkaart, de dagkleuren, maatjes.

Dit was in een notendop wat informatie over Daltononderwijs. Elk schooljaar zal in het Kwastje, onze nieuwsbrief voor ouders, regelmatig informatie te vinden zijn over Daltononderwijs.
Zijn er vragen over het Daltononderwijs? Kom binnen en stel ze!

Dalton zelfstandigheid

Een van de drie Daltonpijlers is ´zelfstandigheid’. Op het Palet vinden wij het belangrijk dat leerlingen zelfstandig leren werken. Ieder kind heeft tenslotte recht op optimale kansen om zichzelf te ontwikkelen. De leerkracht onderzoekt steeds wat ieder nodig heeft om iets specifieks te kunnen leren. Zijn/haar rol is het begeleiden en coachen van iedere leerling, het initiatief blijft zoveel mogelijk bij de leerling.

Op Het Palet is ieder lokaal zo ingericht dat de kinderen zo optimaal mogelijk kunnen werken. Zelfstandigheid vraagt om een optimaal ingerichte leeromgeving als het gaat om onderwijs.

In iedere groep wordt er gewerkt met dagkleuren. De dagkleuren zijn als volgt:

dagkleuren                 weekpalet

Deze kleuren zijn voor alle groepen hetzelfde, zodat hier voor de kinderen geen onduidelijkheid over bestaat. In ieder lokaal hangt een palet met deze kleuren erop.

In onze school zijn zoveel mogelijk hulpmiddelen om de zelfstandigheid van kinderen te bevorderen.
Zo wordt er gewerkt met gangkaarten, computerkaarten en nakijkkaarten. Met behulp van deze kaarten kunnen kinderen zelf gaan nakijken, op de computer of in de gang werken zonder dat ze dit aan de leerkracht hoeven vragen.
Het is niet zo dat een onbeperkt aantal leerlingen gebruik kan maken van deze kaarten. Er zijn maximaal drie kaarten per categorie per klas.
Op deze kaarten staan ook afspraken waaraan kinderen zich moeten houden. In de klas kunt u vanaf groep 3-4 voorbeelden vinden van deze kaarten.
Een voorbeeld van een gangkaart staat hieronder.

gangkaart

Het ontwikkelen van zelfstandigheid is een proces dat samenhangt met het oefenen van routines en het leren toepassen van nieuwe afspraken. Aan dit onderdeel wordt in het begin van het schooljaar aandacht besteed in de groep, zodat de kinderen weer op de hoogte zijn van de afspraken.

Er zijn momenten op een dag dat de kinderen de leerkracht niet mogen storen, omdat hij/zij bezig is met het geven van instructie aan de andere groep of verlengde/extra instructie.

Voor de kinderen moet duidelijk zijn dat de leerkracht bezig is. Dit wordt aangegeven in de groep met een symbool. Op deze manier is het voor de kinderen zichtbaar wat de leerkracht heeft verteld.

Dalton vrijheid in gebondenheid.

Een van de drie Daltonpijlers is vrijheid in gebondenheid. Veel mensen denken bij deze pijler alleen aan het woord vrijheid. Binnen het Daltonconcept is het belangrijk dat gesproken worden over vrijheid in gebondenheid.

Kinderen op Het Palet hebben de vrijheid om zelf keuzes te maken, maar dit alles wel gekaderd en afgebakend door de leerkracht.

Vrijheid is essentieel voor de ontplooiing van de persoonlijkheid van een mens. Kinderen moeten leren om de vrijheid te hanteren. Het is belangrijk dat kinderen leren dat vrijheid iets anders is dan ongebondenheid. Een kind kan niet vroeg genoeg gaan ontdekken wat tot zijn/haar mogelijkheden hoort en wat niet. Daarom is het principe vrijheid in gebondenheid binnen het Daltononderwijs (en ook op Het Palet), zo belangrijk.
Een kind in groep 1-2 heeft een ander idee bij het krijgen van vrijheid op school dan een leerling uit de groepen 7-8. Ieder kind moet de vrijheid krijgen om de vorm van vrijheid te beleven die bij zijn/haar leeftijd past.
Op Het Palet vinden onze leerlingen onder andere in de dag- of weektaak de vrijheid om te leren omgaan met vrijheid in gebondenheid. De vrije keuze ligt onder andere in:

  1. Het tempo en vooral de volgorde waarin kinderen willen werken;
  2. Het wel of niet gebruiken van hulpmiddelen;
  3. De bewuste keuze om een opdracht alleen of samen te maken (dit kan echter niet altijd);
  4. Het kiezen van een keuzetaak.

Het team houdt hier ook bij het kiezen van nieuwe methodes rekening mee. Wij werken nu enkele jaren met de methode Taaljournaal. Hierin worden twee keer per week keuzetaken gemaakt. De kinderen kiezen vooraf welke opdracht te willen gaan maken. Ze hebben steeds de keuze uit vier of vijf opdrachten. Hierin wordt gevarieerd met opdrachten die samen of alleen gemaakt worden.

De pijler ‘vrijheid in gebondenheid’ betekent dus niet dat kinderen alles maar kunnen doen wat ze willen. Om te kunnen werken met ‘vrijheid in gebondenheid’ is het belangrijk dat er binnen school duidelijke regels en routines zijn. Aan het begin van ieder schooljaar worden aan de regels en routines aandacht besteed, zodat het omgaan met de vrijheid in gebondenheid optimaal verloopt.

 

Dalton samenwerkend leren -1

Om later als volwassene te kunnen deelnemen aan de samenleving, moet je leren samenwerken. Je moet ook leren samenwerken met mensen die je niet zelf kiest. Dit is één van de redenen waarom op Daltonscholen veel aandacht wordt besteed aan het spelen en werken in groepjes.

In iedere groep wordt hier aandacht aan besteed. Meestal gaat het om samenwerking met leerlingen uit dezelfde groep, maar het gebeurt op Het Palet ook dat leerlingen uit verschillende groepen samenwerken.

Door middel van leren bewust te leren samenwerken, leren ze naar elkaar te luisteren en respect te hebben voor elkaar.

Er zit echter een belangrijk verschil tussen samen werken aan een opdracht en samenwerken aan een opdracht.
Wanneer leerlingen samen aan een opdracht werken, zoals eerst genoemd is, wordt de taak/opdracht in tweeën gedeeld en maakt ieder een helft. De vraag is natuurlijk of leerlingen hier iets van leren.

Het bewust leren samenwerken vraagt een gestructureerde aanpak. Bij het samenwerkend leren (ook wel coöperatief leren genoemd) zijn vijf belangrijke basiskenmerken belangrijk:

  1. Er is sprake van een positieve wederzijdse verantwoordelijkheid. Dit houdt in dat kinderen elkaar nodig hebben om de opdracht te laten slagen. Ze moeten allebei een inbreng hebben en het gevoel hebben de ander nodig te hebben om de opdracht te laten slagen;
  2. Tegelijkertijd is er ook een individuele verantwoordelijkheid. De kinderen weten dat ze ook individueel aangesproken kunnen worden op hun aandeel in de opdracht.
  3. Er moet sprake zijn van directe interactie. De leerlingen moeten d.m.v. de opdracht uitgenodigd worden om te overleggen. Dat betekent dus dat een opdracht in tweeën verdelen en ieder zijn eigen deel maken geen samenwerkend leren is. Er moet sprake zijn van overleg. Het is dan ook de taak van de leerkracht om te zorgen dat de opdracht dit kan bieden.
  4. Er moet aandacht zijn voor samenwerkingsvaardigheden. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
    • Elkaars naam gebruiken;
    • Vriendelijk op elkaar reageren;
    • De inbreng van andere accepteren;
    • Elkaar mee laten doen;
    • Duidelijk praten zodat de ander je kan verstaan.
    • Het spreekt natuurlijk voor zich dat in de samenwerkingsvaardigheden een opbouw zit, die op school aangeboden wordt.
  5. Een belangrijk onderdeel is het evalueren van het samenwerken. Na een samenwerkingsopdracht kijken de leraar en leerlingen gezamenlijk naar het proces en product van het samenwerken. De evaluatie heeft een belangrijke plaats en functie binnen het samenwerkend leren. De leerling moet namelijk (kunnen) reflecteren op hoe het proces verlopen is.

 

Dalton samenwerkend leren- 2

Kinderen moeten beschikken over een aantal vaardigheden om te kunnen leren samenwerken. Dat een leerling uit groep 1-2 over andere vaardigheden moet kunnen beschikken dan een leerling uit groep 7-8 spreekt natuurlijk voor zich. De samenwerkingsvaardigheden zijn dan ook verdeeld in drie categorieën, te weten basisvaardigheden, voortgezette vaardigheden en vaardigheden voor gevorderden.
Een voorbeeld van een basisvaardigheid is “elkaar aankijken tijdens het praten”. Deze vaardigheid is natuurlijk essentieel om te kunnen samenwerken. Ook thuis kunt u dit natuurlijk oefenen. Een ander voorbeeld van een basisvaardigheid is het kunnen delen van materiaal.
De kinderen in de hogere groepen leren moeilijkere vaardigheden, zoals het stellen van goede vragen. Dit lijkt in de praktijk eenvoudig, maar het valt voor kinderen niet mee. Ze moeten goed weten ze te weten willen komen en hier de vraag op aanpassen. (een voorbeeld uit de klassensituatie is: “juf, ik snap het niet”! De vraag is dan natuurlijk wàt ze niet snappen. Een goede vraag zou zijn: “juf, ik snap som 3 van rekenen niet.”
In de hogere groepen is het ook belangrijk dat kinderen zich in de ander kunnen verplaatsen, dus ook zich soms kunnen schikken in het idee van een ander.
samenwerken

Het is van wezenlijk belang dat kinderen beschikken over samenwerkingsvaardigheden om te kunnen samenwerken. Hieronder kunt u voorbeelden vinden over samenwerkingsvaardigheden.

vaardigheden

Op Het Palet wordt bewust aandacht besteed aan samenwerkingsvaardigheden. In de groepen wordt dit geoefend tijdens activiteiten en aan het einde volgt een evaluatie.
Bij een opdracht waarbij aandacht geschonken wordt aan de voorwaarden voor samenwerkingsvaardigheden, is de opdracht waaraan gewerkt wordt ondergeschikt aan het leren van de samenwerkingsvaardigheid. De leraar kiest een activiteit uit, waarbij hij/zij zeker weet dat de opdracht voor iedereen haalbaar is, zodat het leren van de samenwerkingsvaardigheid voorop staat.
Er zijn diverse samenwerkingsvormen.

 

Dalton en takenkaarten

De takenkaart is op veel Daltonscholen een goed ingeburgerd instrument. Omdat dit hulpmiddel wordt gebruikt vanuit een

Op de takenkaarten staan taken die de kinderen moeten maken. Een deel van de taken moet gemaakt worden en uit een aantal taken mogen kinderen een keuze maken.

In de lagere groepen wordt nog veel gewerkt met pictogrammen op de takenkaart. Dit is om het voor de leerlingen visueel te maken, welke taak ze moeten doen. Naarmate de kinderen naar de hogere groepen gaan, wordt er meer talig op de takenkaart geschreven.

In iedere groep wordt gewerkt met een takenkaart. In groep 1-2 wordt begonnen met de takenkaart. Hierop kunnen de kinderen ook aangeven d.m.v. smileys hoe het werk ging. De leerkracht kan ook nog iets op de takenkaart vermelden. In de groepen 3 tot en met 8 wordt gestart met een takenboekje. De planning per dag staat hierin, met het werk wat gemaakt moet worden. Ook het werk dat niet direct bij de methode hoort staat op de takenkaart. Kinderen krijgen zo een overzicht in de dag en leren hoe ze moeten gaan plannen. Dit gebeurt natuurlijk onder begeleiding van de leerkracht.
De instructiemomenten staan ook op hun takenkaart, zodat leerlingen weten wat ze niet alleen kunnen doen. Deze afspraken zijn in alle groepen hetzelfde.

De kinderen registreren op hun takenkaart met een kruis of een gekleurd vakje wanneer een taak af is. Er wordt van de kinderen verwacht dat de taak af is, nagekeken en netjes verzorgd. Dit wordt door de leerkracht nog gecontroleerd. De kinderen kijken hun werk zoveel mogelijk zelf na.

Regelmatig houdt de leerkracht met de leerlingen feedbackgesprekken over de takenkaarten. Op een coachende manier wordt met de leerlingen een gesprek aangegaan. Hierin wordt gekeken naar wat er goed gaat en wat er beter kan. De leerling vertelt zelf hoe hij/zij dat wil gaan doen. Uiteraard wordt dit weer geëvalueerd met de leerling. Door de leerling te betrekken bij dit proces wordt het leerproces iets van zichzelf en zal hij/zij er makkelijker in slagen om de afspraken na te komen.

Door gebruik te maken van de takenkaart leren kinderen te plannen. De leerling maakt zelf een keuze met welke taak hij/zij wil gaan beginnen. De ene leerling vindt het fijn om te starten met het moeilijke taakje, terwijl de andere leerling liever met het makkelijke werk begint en met het moeilijke werk eindigt.
De kinderen hebben de vrijheid om dit zelf te bepalen.

Op de takenkaart staan ook computertaken. De kinderen kunnen zelf bepalen wanneer ze de computertaken maken. In iedere klas vanaf groep 3 staan computerkaarten. Met deze kaart kunnen de kinderen aan de computer werken. De taken op de computer zijn ook taken die de lesstof verwerken.

Het zijn niet alleen de cognitieve vakken die op de takenkaart staan. Er is ook aandacht voor de creatieve vakken op de takenkaart.

 

Dalton reflecteren

Het Daltononderwijs wordt gekenmerkt door de drie principes, die al in een eerder Kwastje aan bod zijn gekomen.
In het Daltononderwijs speelt het reflecteren ook een belangrijke rol. Om tot reflecteren te kunnen komen, moet er eerst een proces zijn van evalueren.
Om goed te kunnen reflecteren is het belangrijk om met kritiek om te kunnen gaan. Kritiek wordt echter vaak als negatief ontvangen. Het is dan ook belangrijk om op een positieve manier feedback te geven, in plaats van kritiek. Met opbouwende feedback zijn mensen (dus ook volwassenen) beter in staat om te gaan reflecteren.
De vraag is natuurlijk waarom reflectie een belangrijke rol speelt binnen het leerproces. Hieronder volgt een korte uiteenzetting hierover.

Bij evaluatie is het belangrijk dat zowel het product als het proces geëvalueerd wordt. De evaluatie vindt plaats aan het einde van een werkperiode.
Reflectie daarentegen, kan zowel voor, tijdens als na een werkperiode plaatsvinden.
Er zal vooraf nagedacht worden over hoe het werk wordt aangepakt (en wat het te bereiken doel is).
Hier ligt ook voor de leerkracht een belangrijke rol, hij/zij moet aangeven in de les wat het doel is en wat er verwacht wordt.
Daarnaast heeft de leerkracht een belangrijke rol om voor het zelfstandig werken met de leerlingen een planningsfase in te bouwen. Hier speelt op Het Palet onze takenkaart een belangrijke rol. Kinderen leren door middel van een takenkaart hun werk in te plannen. Hierdoor komen leerlingen eerder tot taakgericht werken.
Tijdens het werkproces kunnen de gestelde doelen worden aangepast wanneer blijkt dat deze niet haalbaar zijn.
Zowel de leerkracht als de leerling kan een moment creëren om te doelen aan te passen of weer onder de aandacht te brengen. Voor de leerlingen is er op de takenkaart ruimte om hun gedachten of opmerkingen hierover op te schrijven.
Na een werkperiode komt de evaluatie, welke omgezet kan worden in reflectie. Hierdoor ontstaat bewustwording van eigen handelen en kunnen nieuwe doelen worden gesteld.
In het reflecteren binnen het Daltononderwijs zijn verschillende vormen:

  1. intrapersoonlijke reflectie: hier zal het kind reflecteren gericht op het zelfbeeld en zelfsturing, gericht naar zichzelf. Dit zijn vragen naar het kind zelf: begrip van de lesstof, het opletten bij de instructie en het laten zien wat het zelf kan.
  2. interpersoonlijke reflectie: hier reflecteert het kind op het gebied van relaties van relaties met anderen. Deze vorm zal onder andere bij het samenwerken centraal staan. Er wordt gekeken door de leerlingen naar hoe het werken met het maatje ging, over hoe je elkaar kunt helpen.
  3. procesreflectie: hier ontstaat een reflectie t.o.v. handelingen en gebeurtenissen. Concreet houdt dit in dat er wordt gekeken naar hoe een taak tot stand is gekomen, los gezien van het eindresultaat. Het eindresultaat is dus ondergeschikt aan het proces. De vragen die de kinderen zichzelf hierbij kunnen stellen zijn bijvoorbeeld: hoe ben ik aan de slag gegaan, is mijn stemgebruik goed geweest, heb ik de juiste werkplek gekozen?
  4. productreflectie: zoals dit woord al zegt, gaat de reflectie hier over het gemaakte product. Dit gaat dus over de kwaliteit van het eindproduct. Dit zijn de vragen over het gemaakt werk: is het af, hoe heb ik nagekeken, wat is het resultaat, heb ik netjes gewerkt?

Het is natuurlijk belangrijk dat ook de leerkracht reflecteert op zijn/haar eigen handelen en reflecteert samen met de hele groep (of groepjes kinderen).

                                    Leer kinderen reflecteren door zelf te reflecteren.

dalton_foto
Op de foto wordt directeur Marianne Fliervoet door oud-wethouder Koenen gefeliciteerd met de
eerste stap op weg naar het Dalton-predikaat.
Algemeen directeur Peter Graafmans ondersteunt de school in haar ontwikkeling.

 

Het stoplicht

In alle klassen hangt een stoplicht in de klas. De betekenis van de kleuren van het stoplicht zijn alsvolgt:

stoplicht

  • Rood: tijdens het rode stoplicht mogen de kinderen niet overleggen of iets aan elkaar vragen. Het is niet toegestaan om door de klas te lopen of naar het toilet te gaan. Het rode stoplicht hangt voornamelijk tijdens toetsmomenten.
  • Oranje: tijdens het oranje stoplicht mogen de kinderen elkaar niet storen, maar ze mogen wel lopen om bijvoorbeeld spulletjes te pakken, naar het toilet gaan, naar de computer te lopen enz. Op de gang kan gewerkt worden met een gangkaart.
  • Groen: de kinderen kunnen overleggen en mogen vragen aan elkaar stellen. Door de klas lopen om spullen te pakken of weg te leggen en naar het toilet gaan is toegestaan. Ook op de gang kan gewerkt worden.

Netheid

Er wordt een combinatie gemaakt tussen netjes werken en zelfstandigheid: Kinderen zijn verantwoordelijk voor het goed en netjes verzorgen van hun werk. Ook zijn de kinderen verantwoordelijk voor het met zorg omgaan met spullen van zowel school als wel van klasgenoten en van zichzelf.

  • werkt een leerling niet netjes genoeg, dan wordt het werk overgemaakt.
  • de verwachting t.a.v. netheid wordt altijd aangepast aan de mogelijkheden van het kind

Het gebruik van de ruimtes binnen onze school

  • de klassen: de klassen zijn in principe plaatsen waar instructie gegeven wordt, dit is de plaats van waaruit de kinderen aan het werk gaan.
  • de hal: de leerlingen mogen in de hal werken, als zij een gangkaart mee hebben genomen uit de klas.nadat kinderen in de hal gewerkt hebben, nemen zij hun spullen weer mee terug naar de klas. Zij zorgen er ook voor dat de stoelen en krukken weer op hun goede plaats staan.

 

Klassentaken

In iedere groep zijn er huishoudelijke taken. Deze taken veranderen per week. Hierdoor dragen de kinderen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het netjes houden van hun klaslokaal.

Open deuren

De deuren in onze school zijn zoveel mogelijk open, dit past binnen onze visie van de school. Bij rumoer in de hal kunnen kinderen door elke leerkracht hierop aangesproken worden.

 

“Volwassenen die menen dat kinderen zich niet inspannen om de dingen op

dezelfde wijze te zien als zij, moeten beseffen waarom dit een onmogelijke eis is “

Helen Parkhurst, 1951.

“De wereld van het kind”